Klimaatverandering is één van de grootste uitdagingen van onze tijd. Steeds extremere weersomstandigheden hebben ingrijpende gevolgen voor onze natuur en leefomgeving. Als ontwikkel- en bouwbedrijf neemt Heijmans een belangrijke verantwoordelijkheid om de negatieve impact op het klimaat te beperken. We werken doelgericht toe naar klimaatneutraliteit en reduceren onze directe emissies met maatregelen zoals elektrificatie en het gebruik van duurzame energie. De grootste uitdaging ligt in de keten. Samen met onze partners dringen we ketenemissies terug door duurzaam materiaalgebruik, innovaties en energieneutrale bouwwerken. Tegelijkertijd ligt er een kans om als makers van de gezonde leefomgeving, ontwerpen en bouwwerken te realiseren die bijdragen aan een klimaatbestendige samenleving. Zo zet Heijmans vol in op de transitie naar volledig klimaatneutraal bouwen en werken, met een duidelijke stip op de horizon: net zero in 2040.
Impacts, risico’s en kansen
Klimaatscenarioanalyse
Belangrijke input voor onze DMA is de klimaatscenarioanalyse. Deze is gebaseerd op de methodiek van de Task Force on Climate‑related Financial Disclosures (TCFD), met een horizon van tien jaar en in lijn met het hoogste uitstoot scenario (RPC 8.5) als gedefinieerd door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC).
We hebben de potentiële impact van fysieke risico’s en kansen (zowel chronisch als acuut) en van transitierisico’s op onze activiteiten gewogen.
Ter verdere onderbouwing maken we gebruik van geospatiale analyses op basis van een statistische indeling van Europese regio’s (NUTS; Nomenclature of Territorial Units for Statistics), onder meer met kaarten uit de Klimaateffectatlas. Zo brengen we locatie‑specifieke kwetsbaarheden en kansen in beeld.
Fysieke klimaatrisico’s
Klimaatverandering raakt de beschikbaarheid van grondstoffen, de bereikbaarheid van bouwlocaties en het weersbestendig opleveren van projecten. We analyseren hoe klimaateffecten, zoals extreme neerslag, overstromingen, hittegolven en stormen, onze werkzaamheden kunnen beïnvloeden, met name met het oog op de veiligheid van onze werknemers en de duurzame kwaliteit van opgeleverde projecten. Klimaatmodellen geven richting aan de potentiële impact, maar er blijft onzekerheid bestaan over de langetermijnfrequentie en intensiteit van deze gebeurtenissen.
Fysieke risico’s in Nederland beoordelen we aan de hand van de KNMI‑klimaatscenario’s die de inzichten uit het IPCC vertalen naar de Nederlandse context. Deze scenario’s schetsen de gevolgen van zowel hoge als lage mondiale uitstoot. Voor beide uitstootpaden maakt het KNMI bovendien onderscheid tussen een droog en een nat toekomstig Nederlands klimaat. De scenario’s lopen tot het jaar 2100. Het lage‑uitstootscenario sluit aan bij de doelen van het Akkoord van Parijs, terwijl het hoge‑uitstootscenario uitgaat van een wereldwijde temperatuurstijging van circa 4,9 °C in 2100. We sluiten aan bij de lokale realiteit van onze projecten die uitsluitend in Nederland worden uitgevoerd.
Voor upstream‑effecten buiten Nederland combineren we externe bronnen en publicaties met leveranciersinformatie. Dit doen we in nauwe samenwerking met de afdeling Inkoop.
Klimaattransitierisico’s
Veranderende wet‑ en regelgeving, zoals strengere eisen voor broeikasgas(BKG)emissies en de transitie naar hernieuwbare energie, kunnen invloed hebben op ons bedrijfsmodel en onze keuzes in de keten. Het inzichtelijk maken van deze risico's is essentieel om te waarborgen dat wij aan de wet- en regelgeving blijven voldoen en tegelijkertijd onze concurrentiepositie verstevigen.
Dit stelt ons in staat beter in te spelen op de onzekerheden rondom de implementatiesnelheid en reikwijdte van nieuwe wettelijke normen voor emissies en duurzame bouwmethoden, die de vraag naar materialen en technologieën kunnen verschuiven.
Om transitierisico’s te begrijpen en de risico’s hiervan in te kunnen schatten, hanteren we twee verschillende scenario’s van Network for Greening the Financial System (NGFS). De eerste, genaamd ‘Hot House World – Current Policies’, schetst een wereld waarin klimaatbeleid beperkt blijft tot bestaande afspraken. Gevolg: hoge fysieke risico’s door extreme weersomstandigheden en stijgende kosten voor adaptatie, maar juist lage transitierisico’s met beperkte gevolgen. Daartegenover staat het scenario ‘Orderly – Net Zero', een scenario waarin tijdig en consistent beleid leidt tot een geleide transitie naar een koolstofarme economie. Dit brengt grotere transitierisico’s met zich mee in de vorm van forse investeringen en innovatie, maar biedt stabiliteit in de transitie naar net zero en draagt bij aan het beperken van fysieke klimaatrisico’s.
Aansluiting op jaarrekening
De belangrijkste klimaatgerelateerde aannames in onze financiële verslaggeving, zoals prognoses voor waardering van activa, mogelijke afwaardering van materieel en in de deelname in AsfaltNU, en risico’s op waardevermindering van grondposities, toetsen we aan de gebruikte klimaatscenario’s. Deze scenario’s sluiten qua risicobeeld en Nederlandse context direct aan op de financiële risicobeoordelingen zoals toegelicht in de jaarrekening. Zo vormen zij een consistent kader voor het inschatten van zowel fysieke risico’s (zoals overstroming of vertraging door waterstress) als transitierisico’s (zoals CO₂‑prijsstijgingen en strengere emissie‑eisen).
Locked-in broeikasgasemissies
Onze bestaande investeringen in bouwmachines en zwaar materieel hebben invloed op toekomstige emissies. Daarom hebben we geanalyseerd hoe deze emissies onze reductiedoelen beïnvloeden en waar ze transitierisico’s kunnen vergroten.
Zolang voertuigen en machines niet zijn geëlektrificeerd of vervangen door duurzamere alternatieven, blijven ze een bron van zogenoemde locked‑in emissies. Om dit te voorkomen investeren we gericht in de transitie naar een volledig elektrisch machinepark.
Sinds 2022 geldt daarbij het uitgangspunt: elektrisch materieel is de norm, tenzij er een aantoonbare reden is om hiervan af te wijken. Hiermee versnellen we de verduurzaming van onze uitvoering en beperken we structureel onze klimaatimpact.
Scoring
We toetsen de (potentiële) risico’s uit de klimaatrisicoanalyse aan onze strategie en aan onze bestaande processen. De belangrijkste uitkomsten vatten we samen in een overzichtstabel. In deze tabel staat per risico de tijdshorizon, de locatie in de keten en de financiële impact (0 = laag, 3 = hoog) in het meest negatieve scenario bij onveranderde bedrijfsvoering. Daarnaast tonen we voor ieder risico een veerkrachtscore (1 = laag, 5 = hoog).
Veerkracht
De veerkrachtscore wordt onderbouwd met een toelichting op bestaande en in de toekomst geplande, mitigerende maatregelen. Dit kan onder meer betrekking hebben op investeringsplannen, het actualiseren van procedures en het verschuiven van producten en diensten binnen de portfolio.
Ondanks de toepassing van verschillende scenario’s blijven er onzekerheden bestaan binnen deze analyse, aangezien de potentiële effecten altijd schattingen betreffen die zijn gebaseerd op voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. De analyse is daarom geen eenmalige exercitie, maar een continu proces, dat gedurende het jaar regelmatig wordt aangescherpt.
De risico’s uit deze analyse zijn beoordeeld op basis van het aanpassingsvermogen van de operaties van Heijmans. We kijken daarbij onder meer naar de wendbaarheid van ons machinepark, onze toegang tot zowel menselijk als financieel kapitaal, en de toekomstbestendigheid van de producten en diensten die wij leveren.
Concreet hebben wij de volgende overwegingen meegenomen. We hebben beoordeeld in welke mate wij ons fossiele materieel kunnen vervangen door elektrische alternatieven, en wat de implicaties zijn als er in 2030 of 2040 nog fossiele machines in gebruik zijn.
Daarnaast vormt de toegang tot kapitaal om onze duurzame ambities en elektrificering te financieren een terugkerend aandachtspunt. Heijmans hanteert een solide cashmanagementbeleid, waardoor we niet afhankelijk zijn van vreemd vermogen om onze duurzaamheidsdoelen te realiseren. Ook maken wij gebruik van een Sustainability Linked Loan (SLL): door het behalen van duurzaamheids-KPI’s (Kritieke Prestatie Indicatoren) kunnen wij onze kapitaalkosten verlagen.
Verder verschuiven onze activiteiten steeds verder richting het realiseren van duurzame producten en diensten, zoals energiezuinige gebouwen, infrastructuur en houtskeletbouw. Bij deze transitie kijken we niet alleen naar de technische vereisten van de producten en diensten, maar ook naar het menselijk kapitaal dat nodig is om deze omslag waar te maken. Daarom zetten we ook in op ontwikkeling van onze werknemers op het gebied van duurzaamheid. Hoewel de huidige analyse niet rechtstreeks is gebruikt bij het opstellen van onze strategie, waren de belangrijkste risico’s al eerder in beeld en hebben deze de besluitvorming mede beïnvloed. Ook vóór de analyse was duidelijk dat we in de toekomst te maken krijgen met risico’s zoals waterstress, hitte, droogte en stijgende prijzen van broeikasgasemissies. Daarom besteden we in onze strategie nadrukkelijk aandacht aan het beperken van deze risico’s. De veerkrachtanalyse laat zien dat enkele risico’s nog niet volledig worden beheerst. Met name waterstress en hittestress vragen aanvullende aandacht. Aanvullend zijn bodemdegradatie en verzakking als opkomende risico’s geïdentificeerd; deze waren eerder beperkt in beeld en kennen op dit moment nog weinig beheersmaatregelen. In 2026 verdiepen we de analyse en werken we, waar nodig, gerichte nieuwe maatregelen uit.
Overzicht
|
Thema |
Fysiek klimaatrisico (FKR) of Klimaattransitierisico (KTR) |
Risico |
Tijd |
Upstream (U), |
Fin. impact (0-3) |
Veerkracht (1-5) |
Beheersing |
|
Hittestress |
FKR |
Verstoringen in materiaalproductie en aanvoer transport. |
Middel, lang |
UO |
3 |
4 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, geïndexeerde prijzen. |
|
Veranderende neerslagpatronen |
FKR |
Afname aanbod grondstoffen, verslechtering mogelijkheden tot transport, stijgende kosten. |
Middel, lang |
U |
2 |
4 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, actieve monitoring rivierafhankelijke transportbewegingen. |
|
Zeespiegelstijging |
FKR |
Minder bouwgrond, schade, reputatie en garantieverplichting. |
Lang |
OD |
2 |
4 |
Kernstrategie op water, adaptieve oplossingen. |
|
Waterstress |
FKR |
Stijgende kosten waterintensieve producten, vertraging in vergunning en bouw, veranderende klantvraag. |
Kort, middel, lang |
UD |
3 |
4 |
Kernstrategie op water, koploper in oplossingen, inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen. |
|
Bodemdegradatie |
FKR |
Minder geschikte bouwlocaties, bouwvertragingen, hogere vergunningsdrempels en aansprakelijkheidsrisico’s. |
Middel, lang |
UOD |
2 |
2 |
Verdere uitwerking strategie biodiversiteit, inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen. |
|
Hittegolf |
FKR |
Afgenomen productiviteit, knellende koppelingen, sneller slijtage en meer koeling nodig (bijv. bruggen). |
Kort, middel, lang |
UOD |
3 |
3 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, GO!-toolboxsessies, klimaatadaptief ontwerpen. |
|
Natuurbranden |
FKR |
Afname in bouwlocaties, minder productiviteit en meer investeren in veiligheidsgaranties. |
Kort, middel, lang |
O |
2 |
3 |
Deels afgedekt met voorzorgsmaatregelen en toolboxmeetings, maar verdere uitwerking benodigd. |
|
Droogte |
FKR |
Hogere materiaalkosten, funderingsschade, hogere verzekeringskosten. |
Middel, lang |
UD |
2 |
3 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, klimaatadaptief ontwerpen. |
|
Verzakkingen |
FKR |
Afwaardering grondposities, veiligheidsrisico’s, aansprakelijkheidsrisico’s. |
Lang |
OD |
2 |
2 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, operationeel en downstream beperkt afgedekt. |
|
Stijgende prijs broeikasgasemissies |
KTR |
Stijgende kosten CO2-intensieve materialen en brandstoffen, veranderende klantvraag. |
Kort, middel, lang |
UOD |
3 |
4 |
Net Zero strategie, klimaatgericht ontwerp en gebiedsontwikkeling. |
|
Instructies en regelgeving |
KTR |
Schaarste en stijgende kosten door veranderende processen, niet mogen bouwen, meer eisen aan bouwwerken. |
Kort, middel, lang |
UO |
3 |
3 |
Inkoopstrategie, gevarieerde waardeketen, koploper in toepassen regelgeving in processen en ontwerpen. |
|
Niet-succesvolle investeringen |
KTR |
Toename onderzoeken en ontwikkelingen, niet-succesvolle pilots, reputatierisico. |
Kort, middel, lang |
OD |
2 |
5 |
Samenwerking met partners, risico delen, successen benutten. |
|
Transitiekosten |
KTR |
Hogere kosten materialen, vervangingen en investeringen. |
Kort, middel, lang |
UOD |
3 |
4 |
Inkoopstrategie, slim vervangen en investeren met partners. |
Beleid
Ons klimaatbeleid richt zich zowel op mitigatie als adaptatie. Het doel van ons klimaatbeleid is om de milieu‑impact van onze activiteiten structureel te verlagen en onze projecten en keten weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. We sturen op de IRO’s die in de DMA als materieel zijn vastgesteld.
We trekken hierin gezamenlijk op met klanten en leveranciers. Door ambities te spiegelen en afspraken vast te leggen, versnellen we de reductie van emissies in onze keten. Leveranciers onderschrijven onze duurzaamheidsafspraken en werken actief mee aan emissiereductie binnen de keten.
Heijmans blijft consistent in het realiseren van zijn duurzaamheidsstrategie, ondanks verschuivingen in het publieke debat. Wij erkennen onze verantwoordelijkheid om te bouwen aan een gezonde leefomgeving, met een focus op langetermijnwaardecreatie. Wij blijven investeren in innovatie en ketensamenwerking, omdat tijdig handelen essentieel is voor het waarborgen van een leefbare toekomst voor komende generaties.
Broeikasgasemissies
Het Greenhouse Gas (GHG)-protocol verdeelt emissies in drie scopes. Scope 1 omvat alle directe emissies uit onze eigen activiteiten, zoals brandstofverbruik door ons wagenpark en materieel, en het gas dat we gebruiken om kantoren te verwarmen. Scope 2 betreft indirecte emissies door de opwekking van elektriciteit en warmte die wij verbruiken en scope 3 omvat alle overige emissies in de keten, voor en na onze activiteiten. Denk bij deze laatste scope aan emissies bij de productie van ingekochte materialen, maar ook aan de uitstoot tijdens het gebruik van woningen gedurende hun volledige levensduur na oplevering.
In de figuur hiernaast worden de verschillende scopes en de inhoud hiervan weergegeven.
Transitieplan
Ons klimaattransitieplan vormt een integraal onderdeel van het klimaatbeleid. Hierdoor sluiten doelen, maatregelen en prestatiesturing logisch op elkaar aan en rapporteren we consistent volgens de ESRS‑vereisten (CSRD). Het plan wordt jaarlijks getoetst, geactualiseerd en voorgelegd aan de raad van bestuur. De uitkomsten voeden onze brede risicobeoordeling en investeringsbeslissingen.
In 2024 hebben we ons beleid, onze strategische doelstellingen en onze werkwijzen samengebracht in één totaaldocument. Waar klimaatdocumentatie eerder over onderdelen verspreid was, zorgt deze aanpak nu voor centrale regie, samenhang en een eenduidige basis rapportage op basis waarvan we kunnen sturen.
Klimaatmitigatie en ‑adaptatie
Sinds 2023 werken we met een routekaart richting onze Net Zero 2040‑doelstelling. We mitigeren de impact van onze emissies door onze eindproducten, inclusief het productieproces waarmee deze tot stand komen, koolstofarmer te maken en verder door materieel, productie‑ en projectlocaties te verduurzamen. Parallel hieraan verankeren we klimaatadaptatie in ontwerp en uitvoering, onder meer binnen de strategische thema’s Water en Biodiversiteit. Daarnaast leveren we een aantoonbaar inzicht aan klimaatmitigatie door te voldoen aan de vereisten van de EU(Europese Unie)-Taxonomie.
Energie-efficiëntie
Een belangrijke basis voor het efficiënt inzetten van energie, is de trias energetica. We monitoren ons energieverbruik en sturen actief op energie‑efficiëntie om de totale vraag te verlagen. Dat blijft cruciaal, ook bij inzet van hernieuwbare energie: minder verbruik betekent dat er minder opwek nodig is en dat we onze klimaatdoelen sneller en robuuster kunnen realiseren.
De trias energetica hanteren wij als volgt:
-
Minimaliseer de energievraag (door keuzes in ontwerp, uitvoering en logistiek).
-
Maximaliseer het opwekken en gebruiken van hernieuwbare energie.
-
Beperk de resterende energievraag door fossiele bronnen zo efficiënt mogelijk in en compenseer waar nodig.
Elektrificatie en netcapaciteit
De versnelling van de elektrificatie van personenauto’s, bedrijfswagens en materieel draagt direct bij aan onze ambitie op het gebied van klimaatmitigatie. Tegelijkertijd neemt hierdoor de druk op het elektriciteitsnet toe en wordt de logistiek op projecten complexer, onder meer door extra transportbewegingen voor het laden van accu’s. We erkennen deze operationele effecten en sturen hierop in planning en uitvoering.
Hernieuwbare energie en garanties van oorsprong
Al onze ingekochte elektriciteit en gas vergroenen we jaarlijks volledig met Garanties van Oorsprong (GvO’s), waardoor we onze negatieve impact op het klimaat versneld verminderen. Naast de garantie dat ons gas en onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt, vergroten wij het aandeel direct beschikbare hernieuwbare energie, onder andere door het plaatsen van zonnepanelen op kantoren en bouwplaatsen.
Alternatieve energiedragers (H₂/HVO)
Waar elektrificatie nog niet (volledig) mogelijk is, maken we gebruik van 100% Hydrotreated Vegetable Oil (HVO100) als duurzaam alternatief voor conventionele diesel, waaronder ook voor voertuigen met een grijs kenteken en vrachtwagens. De voortgang en compliance monitoren we via periodieke rapportages van brandstofleveringen. Sinds dit jaar is dit beleid verder uitgerold naar de transporteurs die wij inschakelen. Tevens verkennen we hoe dit kan worden uitgebreid naar overige onderaannemers.
Reikwijdte
Eigen operaties
Ons beleid is van toepassing op alle activiteiten van Heijmans, waaronder:
-
Bouw-, infra- en vastgoedprojecten, zowel nieuwbouw als renovatie, met ruimte voor uitvoeringsverschillen.
-
Het volledige ontwerp- en bouwproces, van inkoop tot oplevering.
-
Interne processen, zoals het gebruik van materieel op bouwplaatsen en het wagenpark voor woon‑werkverkeer.
Waardeketen
We werken actief samen met leveranciers van bouwmaterialen, zoals asfalt, beton en staal, om emissies upstream te reduceren. Downstream richten we ons op de samenwerking met opdrachtgevers en eindgebruikers door te bouwen aan energiezuinige woningen (onder meer conform EPC‑normen) en klimaatadaptieve infrastructuur, zoals waterdoorlatende wegen.
Standaarden en initiatieven
Ons beleid sluit aan bij internationale kaders voor klimaattransitie en emissiebeheer, waaronder:
-
Science Based Targets initiative (SBTi) Net Zero Standard
-
Task Force for Climate related Financial Disclosures (TCFD) – Metrics, Targets & Transition Plans
-
Greenhouse Gas protocol (GHG-protocol)– Corporate Accounting & Reporting
-
Carbon disclosure project (CDP) – Reporting on Transition Plans
-
Transform to Net Zero
-
Climate Action 100+
-
CO₂‑Prestatieladder
Deze normen baseren zich grotendeels op het GHG-protocol, maar verschillen in accenten. Dit maakt vergelijkbaarheid van openbaar gemaakte informatie nog steeds een uitdaging.
Investeringen in fossiele activiteiten
Wij zijn niet uitgesloten van de benchmarks die, op basis van de overeenkomst van Parijs, zijn vastgesteld in de gedelegeerde verordening 2020/1818 van de Europese Comissie. Daarnaast zijn we geen onderdeel van de bedrijven als genoemd in artikel 12 d t/m g en investeert Heijmans niet in kolen, olie- en/of gasgerelateerde activiteiten.
Strategische doelen
Science Based Targets initiative (SBTi)
Bij het opstellen van onze klimaatdoelen stelden we onszelf een fundamentele vraag: doen we voldoende om de opwarming van de aarde te beperken, en hoe weten we dat zeker? Daarom hebben we ons gecommitteerd aan het SBTi. Deze internationale organisatie toetst onze doelen en emissie-rapportage aan het klimaatakkoord van Parijs, met als uitgangspunt een maximale opwarming van 1,5°C. Op basis daarvan is het mondiale koolstofbudget bepaald: de grens waarboven het risico op ernstige klimaatontwrichting toeneemt. Dat budget raakt snel uitgeput. Daarom is directe emissiereductie cruciaal, naast het streven naar nul uitstoot op langere termijn. In september 2024 zijn onze klimaatdoelstellingen, onderbouwing, actieplannen en emissie-inventaris officieel goedgekeurd door het SBTi.
Basisjaar
Voor onze klimaatdoelstellingen hanteren we 2019 als basisjaar. Dit jaar biedt een stabiele en representatieve uitgangspositie: economisch en bouwkundig solide, zonder verstoringen zoals COVID-19. Bovendien stond de sector in dat jaar al duidelijk in het teken van verduurzaming en innovatie. Om te borgen dat 2019 geen uitzonderlijk jaar was wat betreft weersomstandigheden, hebben we KNMI-data van De Bilt geanalyseerd. De conclusie is dat 2019 een geschikt referentiejaar vormt, met temperaturen, zonuren en neerslag die dicht bij het tienjarig gemiddelde liggen. Hierdoor kunnen we onze voortgang consistent volgen en realistische, meetbare doelen stellen richting 2030.
Herberekeningsbeleid
Om onze klimaatdoelstellingen actueel en betrouwbaar te houden, hanteren we een helder herberekeningsbeleid. Dit beleid is gebaseerd op het GHG-protocol en de aanvullende eisen van het SBTi. Bij significante veranderingen in onze organisatie, zoals fusies, overnames of afsplitsingen, herberekenen we het basisjaar en passen we de vergelijkende rapportagegegevens hierop aan. Ook methodologische verbeteringen, zoals nauwkeurigere meetmethoden, zijn aanleiding voor herberekening. Bij deze laatste hanteren we geen drempelwaarde, maar voeren we altijd een herberekening uit om vergelijkbaarheid tussen jaren te garanderen.
Het SBTi schrijft voor dat doelstellingen minimaal eens per vijf jaar worden herijkt, ook wanneer zich geen grote wijzigingen voordoen, zodat ze blijven aansluiten bij de meer recente klimaatwetenschappelijke inzichten. Verder is binnen de richtlijnen van het SBTi concreet vastgelegd dat een herberekening nodig is bij structurele veranderingen die een impact van 5% of meer hebben op onze CO₂e-boekhouding. Bovendien plannen we een extra herijkmoment in 2030, conform CSRD-vereisten en EU-rapportagestappen. Tot slot houden we rekening met nieuwe sectorrichtlijnen en benchmarks, zodat onze aanpak blijvend aansluit bij de meest actuele inzichten.
Monitoring
Om onze voortgang goed te volgen, stellen we jaarlijks nieuwe targets vast voor het komende jaar. Dit doen we na herijking van onze doelstellingen, conform de laatste inzichten en methdologische verbeteringen, en de inventarisatie van broeikasgasemissies. De targets zijn gebaseerd op een lineair reductiepad tussen het basisjaar en het doeljaar. Ze fungeren als duidelijke piketpaaltjes: richtingaanwijzers naar onze stip op de horizon en meetpunten om onze jaarprestaties te toetsen. Zo houden we grip op de route en het tempo van onze klimaatambities.
Grenzen
Onze doelstellingen omvatten alle emissiecategorieën waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen. We sluiten niets uit. Ook landgerelateerde emissies en broeikasgasverwijderingen via grondstoffen voor bio-energie zijn meegenomen. Zo borgen we een volledig en transparant beeld van onze impact.
2030
Onze eerste mijlpaal ligt in 2030: een belangrijke stap richting ons einddoel in 2040. Voor scope 1 en 2 hanteren we één gezamenlijke doelstelling, terwijl scope 3 een eigen doel krijgt. Zo houden we focus op alle emissies binnen onze keten.
Heijmans wil in 2030 de absolute scope 1- en 2-emissies met 100% reduceren t.o.v. 2019
Onze directe emissies brengen we terug naar nul door duurzame maatregelen in ons wagenpark, ons materieel, de kantoren en op bouwplaatsen. Belangrijke concrete acties zijn: elektrificatie van het wagenpark (fossielvrij in 2026), elektrificatie van bedrijfswagens (grijs, licht) (fossielvrij uiterlijk in 2030), volledige inzet van groene brandstoffen op kantoren en projecten, en elektrificatie van ons materieelpark. Bij scope 2 kijken we naar de impact van ons marktgebaseerde gebruik, waarbij we inzetten op het gebruik van elektriciteit uit uitsluitend hernieuwbare bronnen.
Vooruitgang
Sinds 2019 hebben we onze scope 1-emissies met ongeveer twee derde teruggebracht. De grootste winst behalen we door elektrificatie van ons wagenpark en materieel. Voor scope 2 staan we al op nul: alle elektriciteit die we verbruiken wordt geminimaliseerd en wat rest wordt volledig vergroend met GvO’s. Ook dit jaar presteren we ruim onder het target als vastgesteld door het SBTi, hierom leggen we onszelf ook dit jaar een grotere uitdaging wij streven ernaar om in 2026 een verdere verlaging te behalen van 10% ten opzichte van de prestaties in 2025.
Heijmans wil in 2030 de absolute scope 3 met 50% reduceren t.o.v. 2019
Verreweg onze meeste uitstoot zit in scope 3. Om deze emissies te reduceren zetten we een breed pakket aan maatregelen en onderzoeken in, gericht op alle onderdelen van deze ketenemissies. De focus ligt op twee hoofdthema’s: duurzaam materiaalgebruik (upstream) en energieneutrale bouwwerken (downstream).
Een belangrijke stap is de bouw van een nieuwe, innovatieve asfaltcentrale, Asfaltcentrale Lage Weide (ACLW). Deze centrale wordt de meest duurzame van Europa. De bouw is in 2025 gestart, met beoogde productie vanaf 2026. Dankzij innovatieve technieken is de productie emissiearm, geurvrij en vrijwel geluidloos. Bovendien is het asfalt voor een groot gedeelte circulair: oud asfalt wordt gerecycled en lokaal opnieuw toegepast. De locatie Utrecht is bewust gekozen vanwege de centrale ligging. Zo kan ACLW snel en efficiënt voorzien in een groot deel van de asfaltbehoefte in de regio en daarbuiten. Met deze stap zetten we een stevige basis voor een circulaire en klimaatneutrale toekomst.
Vooruitgang
Sinds 2019 hebben we onze absolute scope 3-emissies met ongeveer een derde verlaagd, terwijl onze omzet met bijna de helft groeide. De grootste impact realiseren we door energiezuinige woningen te bouwen. Dit zorgt voor een daling in categorie 11: Het gebruik van verkochte producten, onze op één na grootste scope 3-categorie. Ook dit jaar halen we het target uit onze SBTi reductielijn.
Categorie 1, Ingekochte goederen en diensten, verantwoordelijk voor meer dan de helft van onze uitstoot, stijgt juist mee met onze omzet door de gehanteerde meetmethode. Deze categorie is nu grotendeels gebaseerd op uitgaven. Hogere inkoopkosten, door groei of duurzame keuzes, leiden automatisch tot een hogere gerapporteerde impact. We nemen vanaf dit jaar de eerste leverancierspecifieke emissies mee, voornamelijk van onze grootste asfaltleverancier. Komende jaren breiden we dit uit met beton-, staal- installatie- en houtleveranciers.
Ook het inzichtelijk maken van de daadwerkelijke impact van onze transporteurs staat hoog op ons lijstje. Deze partijen zijn sinds 2025 door ons gevraagd uitsluitend HVO100 te gebruiken bij transportbewegingen gerelateerd aan onze bestellingen. De positieve impact die hierdoor gerealiseerd wordt, is door gebrek aan data nog niet zichtbaar in onze rapportage.
Ondanks dat we dit jaar ons target gehaald hebben, zijn we ons zeer bewust van de sterke jaarlijkse fluctuaties die scope 3 rapportage kent. Hierom kijken we vooral naar de trend op de langere termijn, niet direct naar het jaarlijks wel of niet halen van targets op deze scope.
Naarmate rekenmethoden verbeteren, wordt de rapportage nauwkeuriger en beter vergelijkbaar. Zo blijven we sturen op structurele reductie in de hele keten.
2040
Heijmans bereikt net zero broeikasgasemissies over de hele waardeketen in 2040
We zetten een volgende stap in onze duurzaamheidsambitie. In 2040 willen we volledig klimaatneutraal bouwen en werken. Net zero, volgens de definitie van het SBTi, houdt in dat we onze uitstoot met minimaal 90% reduceren ten opzichte van het basisjaar. De resterende emissies compenseren we volledig.
Heijmans is het eerste Nederlandse bouwbedrijf dat zich ten doel stelt om al in 2040 net zero te bereiken. Daarmee lopen we tien jaar voor op veel andere bedrijven en op de ambitie van de Europese Unie in haar Klimaatwet. Met deze stap onderstrepen we onze overtuiging: bouwen aan een gezonde leefomgeving betekent ook verantwoordelijkheid nemen voor het klimaat.
Maatregelen
Materialiteit
Bij elke maatregel geven we eerst inzicht in het materiële onderwerp waaraan deze bijdraagt. Zo maken we duidelijk waarom de maatregel relevant is binnen onze duurzaamheidsstrategie. Vervolgens benoemen we de specifieke strategische doelstelling waarop de maatregel aansluit, inclusief de termijn waarbinnen deze doelstelling moet worden gerealiseerd. Daarnaast vermelden we de omvang van de emissies die binnen de scope van de maatregel vallen, gebaseerd op het niveau in het basisjaar. Dit biedt context en maakt inzichtelijk welke bijdrage de maatregel kan leveren aan onze totale uitstootreductie.
Specificaties
Om helder te maken waar een maatregel wordt uitgevoerd en effect heeft, geven we in de tabel expliciet aan in welke pijler van onze waardeketen de maatregel impact maakt. We benoemen ook welk bedrijfsonderdeel verantwoordelijk is voor de uitvoering en op welke activiteiten de maatregel invloed heeft.
Bovendien duiden we het type oplossing: bijvoorbeeld nature-based of technologisch. Ook koppelen we de relevante decarbonisatiehefboom: het mechanisme waarmee de maatregel emissies reduceert. Heijmans onderscheidt hierbij onder meer elektrificatie, energie-efficiëntie, materiaalefficiëntie en productoptimalisatie.
Governance
Aan elke maatregel koppelen we een duidelijke verantwoordelijkheid. De eindverantwoordelijke is vaak een lid van de raad van bestuur of een voorzitter van een bedrijfsstroom. Deze persoon is verantwoordelijk voor het behalen van de doelstellingen waar de maatregel voor in het leven geroepen is.
Naast de eindverantwoordelijke is er altijd een operationeel verantwoordelijke. Dit is meestal de programmamanager Duurzaamheid van de betreffende bedrijfsstroom, maar kan het ook een manager zijn van een specifiek bedrijfsonderdeel. Deze persoon bewaakt de dagelijkse voortgang, zorgt dat acties worden uitgevoerd en rapporteert periodiek aan de eindverantwoordelijke.
Impact
Voor maatregelen die direct bijdragen aan het reduceren van broeikasgasemissies, maken we een inschatting van de reductie in procenten en ton CO₂e ten opzichte van het basisjaar 2019. Deze cijfers toetsen we jaarlijks en herijken we indien nodig, bijvoorbeeld wanneer de emissies in het basisjaar worden aangepast.
De reductiepercentages voor scope 1 zijn gebaseerd op het aandeel van de betreffende categorie in de scope 1-inventaris van het rapportagejaar. Voor scope 3 werken we met inschattingen: we spiegelen de omvang van de opgave terug naar de impact van de maatregel.
Het is nog niet mogelijk om de gerealiseerde impact per maatregel inzichtelijk te maken. De gerealiseerde reductie van alle maatregelen samen is af te lezen in de tabel Totaal broeikasgasemissies verderop in dit hoofdstuk.
Middelen
Voor het realiseren van onze maatregelen zetten we verschillende middelen in. Binnen de organisatie hebben we functies en gespecialiseerde teams die verantwoordelijk zijn voor het behalen van onze duurzaamheidsambities en het naleven van de ESRS-vereisten.
Deze teams worden ondersteund door technologische oplossingen, zoals slimme IT-systemen en hulpmiddelen voor datagedreven besluitvorming en duurzaamheidsrapportage. Zo zorgen we voor inzicht, transparantie en grip op onze voortgang.
Verder beschikken we over operationele middelen die direct op de bouwplaats het verschil maken. Denk aan nieuwe processen die we ontwikkelen, de inzet van energiehubs en het gebruik van elektrisch materieel. Met deze combinatie van menskracht, technologie en innovatieve middelen versnellen we de transitie naar een klimaatneutrale toekomst.
Voor maatregelen die financiële middelen vragen, zowel operationele kosten (OpEx; Operational Expenditure) als investeringen (CapEx; Capital Expenditure), rapporteren we een inschatting van deze bedragen. Deze koppelen we aan de relevante posten in de jaarrekening en, waar van toepassing, aan de EU-Taxonomie. Ook deze financiële inschattingen worden jaarlijks getoetst en herijkt. In 2025 zijn geen financiële middelen rechtstreeks toe te wijzen aan maatregelen, alle kosten zijn op het moment van natuurlijke vervangingen gemaakt.
Randvoorwaarden en afhankelijkheden
Niet elke maatregel kunnen we zelfstandig en met zekerheid uitvoeren. Voor veel maatregelen (voornamelijk in het reduceren van scope 3) is samenwerking in de keten cruciaal of zijn sectorbrede afspraken noodzakelijk. Denk aan leveranciers die moeten meebewegen of gezamenlijke standaarden die ontwikkeld moeten worden.
Om inzicht te houden in wat er nodig is naast onze eigen inzet, hebben we randvoorwaarden gedefinieerd. Deze maken duidelijk welke externe factoren bepalend zijn voor het succes van een maatregel. Zo weten we waar we invloed kunnen en moeten uitoefenen en waar we grotendeels afhankelijk zijn van partners of regelgeving.
Voor het reduceren van onze scope 3-emissies is technologische innovatie onmisbaar. Denk aan de ontwikkeling van duurzamere varianten van beton, staal en asfalt. Deze materialen hebben een grote impact in onze keten en vragen om oplossingen die zowel circulair als emissiearm zijn.
Ook voor scope 1 is technologie een sleutelrol. Het volledig naar nul brengen van onze directe emissies lukt alleen als we zware materieelstukken kunnen elektrificeren of voorzien van alternatieve aandrijvingen. Dit vraagt om samenwerking met leveranciers, investeringen in innovatie en het testen van nieuwe technieken op onze projecten.
Door afhankelijkheden en randvoorwaarden expliciet te benoemen, vergroten we de transparantie en kunnen we tijdig het gesprek aangaan met de juiste partijen. Zo zorgen we ervoor dat onze ambities niet alleen op papier staan, maar ook in de praktijk haalbaar worden.
Overzicht
De tabel hieronder geeft een versimpelde, bondige weergave van de maatregelen die gestart zijn of nog lopen in het rapportagejaar.
|
Doelstelling |
Materieel onderwerp |
Maatregel |
Decarbonisatiehefboom |
Waardeketen |
Eindjaar |
Reductie tCO₂e 2030* |
Reductie tCO₂e 2040** |
CapEx |
OpEx |
Randvoorwaarden en afhankelijkheden |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Scope 1 en 2 (marktgebaseerd) in 2030 met 100% reduceren t.o.v. basisjaar 2019. |
Klimaatmitigatie |
Energiezuinige verlichting kantoren |
Energie-efficiency |
Eigen operatie |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Optimalisatie bouwlogistiek |
Energie-efficiency |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Inzet van bouw-HUB’s |
Energie-efficiency |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Elektrificatie wagenpark |
Elektrificatie |
2026 |
14.009 |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Elektrificatie bedrijfswagens |
Elektrificatie |
2030 |
7.005 |
- |
- |
- |
Innovatie bij leveranciers |
|||
|
Elektrificatie zwaar materieel en vrachtwagens |
Elektrificatie |
2030 |
12.258 |
- |
- |
- |
Innovatie bij leveranciers |
|||
|
Grijze kentekens en grote materieelstukken, die (nog) niet geëlektrificeerd kunnen worden, naar HVO-100 |
Overschakeling naar andere brandstoffen |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Garantie dat alle gas en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komt, door de aanschaf van garanties van oorsprong |
Gebruik van hernieuwbare energie |
Doorlopend |
1.751 |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Plaatsen van zonnepanelen op kantoorlocaties en bouwketen |
Gebruik van hernieuwbare energie |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
Afspraken met eigenaren bij huur en ambities verhuurders bij multi-tennant panden |
|||
|
Duurzamere bouwplaatsen, door gebruik te maken van stroom van nabij gelegen windmolen- en zonneparken |
Gebruik van hernieuwbare energie |
Doorlopend |
- |
- |
- |
- |
- |
|||
|
Scope 3 met 50% reduceren in 2030 t.o.v. basisjaar 2019 en Net Zero bereiken in 2040. |
Klimaatmitigatie |
Energie neutrale gebouwen |
Productoptimalisatie |
Downstream |
2040 |
176.078 |
176.078 |
- |
- |
Ambities van onze opdrachtgevers |
|
Duurzaam materiaalgebruik, o.a. door de inzet van biobased materialen (o.a. industrieel bouwen van houten woningen en hennep-based isolatie), circulaire toepassingen in beton, geopolymeer, asfaltmengsels, hergebruik. |
Materiaal efficiency |
Upstream |
2040 |
11.739 |
11.739 |
- |
- |
Innovatie bij leveranciers |
||
|
Minimaliseren van impact door zakelijk vervoer en woonwerkverkeer, door fietsplan, thuiswerkbeleid, overnachtingsmogelijkheden, etc. |
Verandering in gedrag |
Eigen operatie |
2040 |
293.463 |
293.463 |
- |
- |
- |
||
|
Emissieloos transport en materieel in de keten (HVO-beleid, faciliteren duurzame bouwplaatsen, ketensamenwerking) |
Overschakeling naar andere brandstoffen, elektrificatie |
Downstream |
2040 |
105.647 |
105.647 |
- |
- |
Innovatie bij leveranciers |
||
|
n.v.t. |
Klimaatadaptatie |
Bouw van klimaatadaptieve gebouwen |
Productoptimalisatie |
Over de hele keten |
2040 |
- |
- |
- |
- |
Ambities van onze opdrachtgevers |
- *Reductie t.o.v. basisjaar 2019.
- **Reductie t.o.v. 2030
Energieverbruik
Rapportageplicht
Wij werken uitsluitend in sectoren met een hoge klimaatimpact, zoals benoemd in de NACE-lijst van de Europese Commissie (secties A t/m H). Daarmee dragen we een grote verantwoordelijkheid én hebben we extra rapportageverplichtingen vanwege onze significante bijdrage aan klimaatverandering.
Van ons wordt verwacht dat we niet alleen inzicht geven in het totale energieverbruik, maar ook in de herkomst van deze energiebronnen. Transparantie over waar onze energie vandaan komt – fossiel, hernieuwbaar of anders – is essentieel om onze voortgang richting klimaatdoelen te kunnen beoordelen.
Rekenmethodiek
Onze rapportage is gebaseerd op een combinatie van betrouwbare databronnen. We gebruiken data-exports van toeleveranciers, het uitlezen van gebouwprestaties (inclusief eigen energieopwekking) en waarden uit facturen. Deze aanpak zorgt voor een compleet en transparant beeld van ons energieverbruik.
De bronnen die we hanteren zijn dezelfde als voor het berekenen van onze scope 1- en 2-emissies. Het verschil zit in de eenheid: bij energieverbruik maken we de conversie naar megawattuur (MWh) in plaats van CO₂-equivalenten (CO₂e).
De exact toegepaste rekenmethoden, aannames en gebruikte bronnen, worden uitgebreid toegelicht in de tabel Rapportagevereisten.
Overzicht
|
2025 |
2024 |
|||
|
Energiedrager |
Energie (MWh) |
Percentage (%) |
Energie (MWh) |
Percentage (%) |
|
Fossiel |
||||
|
Steenkool |
- |
- |
||
|
Ruwe olie en aardolieproducten |
34.755 |
50.306 |
||
|
Aardgas |
6.725 |
7.644 |
||
|
Andere fossiele bronnen |
750 |
1.024 |
||
|
E/W/S/K uit fossiele bronnen |
791 |
4.028 |
||
|
Totaal fossiel |
43.022 |
37% |
63.002 |
51% |
|
Kernenergie |
- |
- |
||
|
Totaal kernenergie |
- |
- |
- |
|
|
Hernieuwbare energie |
- |
- |
||
|
Brandstof uit hernieuwbare bronnen |
42.948 |
34.493 |
||
|
E/W/S/K uit hernieuwbare bronnen |
30.985 |
24.119 |
||
|
Zelf opgewekte energie |
903 |
993 |
||
|
Verbruik zelf opgewekte energie |
398 |
993 |
||
|
Totaal hernieuwbare energie |
74.331 |
63% |
59.606 |
49% |
|
Totaal energieverbruik |
117.353 |
100% |
122.608 |
100% |
Energie-intensiteit
Naast absolute cijfers tonen we ook energie-intensiteitscijfers om onze efficiëntie en duurzaamheidsinspanningen beter inzichtelijk te maken. Absolute cijfers geven weer hoeveel energie we in totaal verbruiken, maar zeggen niets over hoe efficiënt we deze energie inzetten.
Met energie-intensiteit laten we zien hoeveel energie we verbruiken per miljoen euro omzet. Dit maakt het mogelijk om prestaties te vergelijken, ongeacht omzetgroei of bedrijfsomvang. Zo kunnen we aantonen dat we efficiënter en duurzamer werken, zelfs wanneer het absolute energieverbruik stijgt door toenemende activiteiten.
Voor deze berekening koppelen we het energieverbruik aan de totale geconsolideerde omzet van Heijmans N.V., zoals gerapporteerd in de winst- en verliesrekening. Dit is relevant omdat al onze activiteiten binnen sectoren met hoge klimaatimpact vallen, zoals toegelicht in de paragraaf ‘Energieverbruik - Rapportageplicht’.
Door zowel absolute als relatieve cijfers te presenteren, bieden we een compleet beeld van onze voortgang richting een energie-efficiënte en klimaatneutrale toekomst.
|
2025 |
2024 |
|
|
Omzet (in mln.) |
2.772 |
2.584 |
|
Totaal energie (in MWh) |
117.353 |
122.608 |
|
Energie-intensiteit |
42 |
47 |
Broeikasgasemissies
Inventarisatie
Wij brengen onze impact op klimaatverandering in kaart door onze broeikasgasemissies te inventariseren volgens het GHG-protocol, aangevuld met de vereisten van het SBTi en, waar nodig, verduidelijkt met de scope 3-handreiking van de Dutch Green Building Council (DGBC).
Consolidatie
Voor onze emissierapportage consolideren we 100% van de broeikasgasemissies waarover wij volledig operationele zeggenschap hebben. In de bouwsector is het niet passend om entiteiten met gedeelde zeggenschap volledig mee te nemen. Daarom hanteren we een proportionele benadering: voor deelnemingen waarin wij geen volledig belang of zeggenschap hebben, nemen we de emissies op in de relevante scope 1-, 2- en 3-categorieën, gebaseerd op de omvang van de werkpakketten binnen die deelneming (als proxy voor ons aandeel). Een uitzondering hierop is AsfaltNu. Hoewel we hier geen operationele zeggenschap hebben, is deze partij een belangrijke speler in onze waardeketen. De emissies die hiermee samenhangen, rapporteren we in scope 3, onder categorie 1: Ingekochte goederen en diensten.
Rekenmethodieken
Elke scope vraagt om een eigen aanpak en rekenmethodiek om een betrouwbaar beeld van de emissies te krijgen.
-
Scope 1: onze directe emissies worden berekend op basis van data van ons facilitair bedrijf en externe bronnen, zoals leasemaatschappijen en brandstofleveranciers op projecten.
-
Scope 2: de indirecte emissies bepalen we aan de hand van ingekochte elektriciteit, warmte, stoom en koeling, op basis van gegevens van nutsbedrijven.
-
Scope 3: deze categorie is het meest divers en vraagt per onderdeel om een andere methode. Soms werken we met berekeningen op basis van inkoopuitgaven, in andere gevallen maken we exacte berekeningen op projectniveau.
Alle toegepaste methoden, aannames en gebruikte bronnen lichten we uitgebreid toe in de tabel Rapportagevereisten. Zo zorgen we voor transparantie en vergelijkbaarheid in onze rapportage.
Global Warming Potential
Wij rapporteren volgens het meest recente IPCC-rapport, waarin de actuele Global Warming Potential waardes (GWP) van broeikasgassen zijn vastgelegd. Omdat emissiefactorendatabases vaak achterlopen met deze updates, bestaan er geen complete datasets die volledig voldoen aan deze eis. Daarom passen wij de emissiefactoren zelf aan: per emissiefactor en per broeikasgas werken we met de meest recente, extern gevalideerde waarden.
Consistentie binnen een boekjaar is voor ons essentieel. Hierdoor blijven emissies vergelijkbaar en reproduceerbaar. We kiezen er daarom voor om emissiefactoren één keer per jaar, in de eerste week van januari, te actualiseren. Dit doen we zowel voor het huidige rapportagejaar, het vorige jaar als het basisjaar. Zo garanderen we dat onze duurzaamheidsrapportage gebaseerd is op de nieuwste inzichten, terwijl we gedurende het jaar trends goed kunnen volgen.
Scope 1
Onze scope 1-emissies meten we op basis van de daadwerkelijk ingekochte hoeveelheden brandstoffen. Daarmee nemen we emissies mee uit stationaire en mobiele verbranding, procesemissies en vluchtige emissies.
Tot en met 2024 rapporteerden we scope 1 op basis van well-to-wheel (WTW)-emissies van energiedragers. Dit leidde echter tot dubbeltellingen in combinatie met onze scope 3-rapportage. Daarom hebben we per 1 januari 2025 gekozen voor een gesplitste benadering:
-
Scope 1: emissies op basis van tank-to-wheel (TTW)
-
Scope 3: emissies op basis van well-to-tank (WTT)
Zo rapporteren we elk onderdeel van de impact in de juiste categorie en verbeteren we de nauwkeurigheid van onze cijfers.
Om de vergelijkbaarheid met 2024 te waarborgen, tonen we in dit verslag ook het cijfer volgens de oude methode. Dit is opgenomen in een extra regel onder de tabel met broeikasgasemissies verderop in dit verslag.
Biogene emissies
Vanaf dit jaar rapporteren we ook de biogene emissies die vrijkomen bij de verbranding van brandstoffen in scope 1. Eerdere jaren waren hier nog geen passende emissiefactoren voor beschikbaar.
Scope 2
In scope 2 rapporteren we de emissies die vrijkomen bij alle door ons ingekochte elektriciteit, warmte, stoom en koeling. Hiervoor hanteren we twee benaderingen.
-
Locatiegebaseerd: We berekenen de impact met emissiefactoren gebaseerd op het landelijk gemiddelde. Dit geeft inzicht in de emissies die daadwerkelijk plaatsvinden in het netwerk dat ons bedient, ongeacht onze specifieke energiekeuzes.
-
Marktgebaseerd: Hier gebruiken we dezelfde onderliggende data, maar passen we emissiefactoren toe die aansluiten bij wat we contractueel hebben ingekocht. Denk aan groene stroomcertificaten of hernieuwbare energiecontracten.
Door beide methoden naast elkaar te tonen, laten we zien hoe we ons energiegebruik actief verduurzamen. De locatiemethode geeft een realistisch beeld van de fysieke emissies in het netwerk, terwijl de marktmethode inzicht biedt in de keuzes die wij maken om onze impact te verlagen. Zo maken we transparant hoe onze inspanningen bijdragen aan een klimaatneutrale toekomst.
In onze doelstellingen en targets sturen we altijd op de marktgebaseerde scope 2 rapportage, welke de beste representatie geeft van ons daadwerkelijke gebruik en impact.
Scope 3
Categorieën
Scope 3 bestaat uit vijftien categorieën, verdeeld in upstream en downstream. Niet alle categorieën zijn relevant voor Heijmans. Op basis van een uitgebreide analyse hebben we bepaald welke categorieën op onze organisatie van toepassing zijn en welke niet. De relevante categorieën hebben we vervolgens geclassificeerd op omvang, invloed, risico’s en belang voor stakeholders. De categorieën die niet van toepassing zijn, lichten we toe in de volgende paragraaf. Deze zijn ongewijzigd t.o.v. 2024.
Sommige categorieën die we wél meten, zijn nu nog klein en nauwelijks materieel. Toch nemen we ze mee in onze rapportage. Wij geloven dat verantwoordelijkheid voor onze totale impact belangrijk is. Wat vandaag klein lijkt, kan morgen groot worden.
Uitgesloten categorieën
Zes categorieën van scope 3 zijn niet van toepassing. Geleasde goederen upstream (categorie 8) gebruiken we in onze directe operaties, daarom worden deze verantwoord en gerapporteerd in onze scope 1 en 2. Geleasde goederen in onze downstream (categorie 13) komen bij ons niet voor. Als bouwbedrijf leveren we producten die direct op locatie worden gebruikt, waardoor categorie 9 (Transport en distributie downstream) en 10 (Bewerking van opgeleverde producten) geen rol spelen. Ook categorie 14 (Franchises) is niet relevant, omdat wij geen franchises hebben. Tot slot is categorie 15 (Investeringen) niet eenduidig te rapporteren volgens het GHG-protocol, gezien de aard van onze deelnemingen, als hiervoor toegelicht in de paragraaf Consolidatie.
Totaal broeikasgasemissies
Overzicht
In de tabel hieronder worden de scopetotalen gepresenteerd.
|
Prestaties |
Ambities |
|||||||||||
|
Categorie (in ton CO₂e) |
2019 |
2024 |
Doel 2025 |
2025 |
2024-25 % |
2019-25 |
2026 |
2030 |
2035 |
2040 |
Reductie per jaar % |
|
|
Scope 1-emissies |
||||||||||||
|
Totaal scope 1-emissies* |
28.706 |
14.512 |
13.061 |
10.442 |
-28% |
-64% |
9.398 |
- |
- |
- |
-10% |
|
|
Biogene scope 1-emissies |
1.177 |
9.509 |
11.412 |
|||||||||
|
% scope 1-emissies in ETS |
||||||||||||
|
Scope 2-emissies |
||||||||||||
|
Locatiegebaseerd scope 2 |
6.546 |
9.067 |
8.556 |
|||||||||
|
Marktgebaseerd scope 2 |
6.317 |
1.155 |
109 |
- |
- |
- |
- |
0% |
||||
|
Biogene scope 2-emissies |
- |
- |
- |
|||||||||
|
Scope 3-emissies |
||||||||||||
|
Totaal scope 3-emissies |
1.173.851 |
819.971 |
838.877 |
718.171 |
-12% |
-39% |
682.262 |
586.926 |
293.463 |
- |
-5% |
|
|
1 |
Ingekochte goederen en diensten |
378.999 |
454.849 |
467.161 |
||||||||
|
2 |
Kapitaalgoederen |
3.835 |
7.407 |
6.562 |
||||||||
|
3 |
Brandstof en energie |
6.251 |
5.334 |
4.868 |
||||||||
|
4 |
Transport (upstream) |
24.869 |
34.964 |
30.364 |
||||||||
|
5 |
Afval |
9.254 |
9.402 |
8.834 |
||||||||
|
6 |
Zakelijk vervoer |
307 |
92 |
31 |
||||||||
|
7 |
Woon- werkverkeer |
4.049 |
3.543 |
688 |
||||||||
|
11 |
Gebruik verkochte producten |
739.547 |
298.974 |
195.917 |
||||||||
|
12 |
End of life verkochte producten |
6.740 |
5.405 |
3.746 |
||||||||
|
Biogene scope 3 emissies |
- |
- |
- |
|||||||||
|
Totaal broeikasgasemissies |
||||||||||||
|
Totaal BKG locatiegebaseerd |
1.209.103 |
843.550 |
737.169 |
|||||||||
|
Totaal BKG marktgebaseerd |
1.208.874 |
835.638 |
728.722 |
-13% |
-40% |
691.660 |
586.926 |
293.463 |
- |
-5% |
||
|
Totaal biogene emissies |
1.177 |
9.509 |
11.412 |
|||||||||
|
* Wanneer de cijfers in deze rij volgens de oude rekenmethode (WTW) berekend zouden zijn, geven deze het volgende resultaat: 2019: 34.895, 2024: 19.827, 2025: 15.312. Zie voor toelichting paragraaf ‘Scope 1’ in dit hoofdstuk. |
||||||||||||
Broeikasgasintensiteit
Toelichting
Absolute emissies geven inzicht in onze totale uitstoot, maar zijn lastig te vergelijken tussen bedrijven die verschillen in omvang of sector. Daarom gebruiken we ook broeikasgasintensiteit als maatstaf.
Intensiteit drukt emissies uit ten opzichte van een relevante eenheid, zoals omzet. Dit maakt prestaties beter vergelijkbaar en laat zien hoe efficiënt we werken, ook wanneer onze activiteiten groeien.
Door zowel absolute emissies als intensiteitscijfers te rapporteren, bieden we een compleet beeld: hoeveel we uitstoten én hoe duurzaam we produceren. Zo maken we zichtbaar dat we niet alleen sturen op reductie in absolute zin, maar ook op structurele verbetering van onze efficiëntie.
Rekenmethode
Voor het berekenen van de emissie-intensiteit delen we de totale uitstoot, uitgedrukt in ton CO₂e, door de geconsolideerde omzet van Heijmans N.V. in miljoenen euro’s. De omzetcijfers zijn terug te vinden in de winst- en verliesrekening van ons jaarverslag.
|
Broeikasgasintensiteit (BKGI) |
2025 |
BKGI |
2024 |
BKGI |
|
Omzet (in miljoen euro) |
2.772 |
2.584 |
||
|
Totaal BKG locatiegebaseerd (in ton CO₂e) |
737.169 |
266 |
843.550 |
326 |
|
Totaal BKG marktgebaseerd (in ton CO₂e) |
728.722 |
263 |
835.638 |
323 |
Broeikasgasverwijderingen
Beleid
In onze waardeketen vinden broeikasgasverwijderingen plaats door biogene opslag in biobased materialen die we inkopen voor onder andere nieuwbouwwoningen, zoals houten platen, balken en isolatiematerialen. Deze materialen slaan koolstof op en dragen zo bij aan het verminderen van onze netto-impact.
We brengen deze verwijderingen in kaart volgens de richtlijnen van het GHG-protocol. Daarmee zorgen we voor een transparante en internationaal erkende methodiek. Zodra aanvullende consensusmethoden beschikbaar komen, bijvoorbeeld vanuit het EU-regelgevingskader voor certificering van broeikasgasverwijderingen, passen we deze toe voor de administratieve verwerking.
Hierdoor voldoen we niet alleen aan de huidige standaarden, maar lopen we ook voorop in het toepassen van nieuwe kaders die bijdragen aan een betrouwbare en toekomstbestendige rapportage.
Overzicht
In de tabel hieronder zetten we uiteen welke broeikasgasverwijderingen we dit boekjaar hebben gerealiseerd in onze directe operaties en in onze waardeketen.
|
Verwijderingen |
2025 |
2024 |
|
Eigen operaties (direct) |
||
|
Geen |
||
|
Totaal |
||
|
Waardeketen (indirect) |
||
|
Upstream (project Horizon) |
2.735 |
3.235 |
|
Totaal GHG removals (ton CO₂e) |
2.735 |
3.235 |
|
Omkeringen |
|
Project Horizon (basiswoning) |
|
|
Broeikasgassen |
Koolstofdioxide (CO₂), lachgas (N2O, distikstofoxide), methaan (CH4) en de fluorhoudende gassen (F-gassen). |
|
Techniek |
Biogene opslag. |
|
Rekenmethode |
De Centrum Hout-rekenmodule CO₂-opslag in hout op basis van de rekenmethode uit de norm EN 16449 ‘Wood and wood based products - Calculation of sequestration of atmospheric carbon dioxide’. |
|
Nature based |
Ja, omdat het gebruikmaakt van natuurlijke processen zoals groei van biobased materialen, bijdraagt aan het behoud en herstel van ecosystemen, helpt bij klimaatmitigatie door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de biodiversiteit bevordert door het gebruik van diverse biologische materialen en het creëren van habitats. |
|
Beheersing |
Lekken en omkeringsgebeurtenissen worden voorkomen, door de bewuste strategische keuze om in te zetten op modulariteit en standaardisatie, zodat de kans op het halen van de ontworpen levensduur (en daarmee de ingegecalculeerde CO₂e-opslag) worstcase gehaald wordt en waarschijnlijk overtroffen. |
|
Hoeveelheid |
2.735 ton CO₂e |
Compensatie met carbon credits
Beleid
Wij hebben ons gecommitteerd om onze directe emissies (scope 1) en indirecte emissies ten gevolge van ons energiegebruik (scope 2) in 2030 terug te brengen naar nul. Deze strategische doelstelling is wetenschappelijk getoetst door het SBTi. Tot die tijd willen we onze impact zoveel mogelijk beperken. Daarom compenseren we de resterende emissies via certificaten van projecten die broeikasgassen langdurig vastleggen of fossiele emissies vervangen door duurzame alternatieven.
Onze compensatieprojecten uit Nederland zijn geverifieerd door Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK), projecten buiten Nederland voldoen aan de Verified Carbon Standard (VCS) of Gold Standard. Betrouwbaarheid en effectiviteit zijn voor ons cruciaal, net als de maximale leeftijd van 5 jaar voor de certificaten. We kiezen voor projecten binnen de EU, gericht op hernieuwbare energie (wind, zon, waterkracht) en bosaanplant. We onderzoeken bovendien samenwerking met Staatsbosbeheer om Nederlandse bossen te versterken.
Dit jaar zijn we een bijzonder partnerschap aangegaan met ORCA, gericht op circulaire samenwerking in de praktijk. Binnen dit project wordt jaarlijks maar liefst 45 miljoen kilo plastic gerecycled. Het merendeel daarvan – circa 60% – wordt opnieuw toegepast in Nederland.
De bijbehorende CO₂-certificaten hebben specifiek betrekking op de recycling van Nederlands plastic afval, waarvan ongeveer de helft afkomstig is uit bouw- en sloopstromen. Het gerecyclede materiaal wordt ook gedeeltelijk weer binnen de Nederlandse markt ingezet, waardoor het niet alleen een administratieve exercitie is, maar een tastbare bijdrage aan onze gezamenlijke duurzaamheidsdoelen.
Met dit project geven we invulling aan onze circulaire ambities en laten we zien wat ketensamenwerking kan betekenen. Samen maken we impact: minder afval, minder CO₂ en meer hergebruik van waardevolle grondstoffen. Zo bouwen we niet alleen aan projecten, maar ook aan een toekomst waarin duurzaamheid de norm is.
In 2025 komt ongeveer 66% van de ingekochte carbon credits uit dit project. De resterende 34% komt uit een Europees biomassa project, deze waren nog over van vorig jaar, omdat onze footprint ook toen aanzienlijk lager is uitgevallen.
De aankoop van credits gebeurt jaarlijks, zonder vaste contracten. Eventuele overschotten nemen we mee naar het volgende jaar. Alle credits worden ingetrokken via het systeem van ‘Corresponding Adjustments’, zodat dubbele registratie wordt voorkomen.
Met deze aanpak zorgen we voor transparantie en dragen we bij aan een klimaatneutrale toekomst.
Het gasverbruik dat in 2024 (1.358 tCO2e) en 2025 (1.355 tCO2e) deel uitmaakt van de bruto scope 1 emissies, wordt niet gecompenseerd met carbon credits, maar vergroend met de inzet van garanties van oorsprong (GvO). Het gebruik van deze GvO's mag niet in mindering gebracht worden op ons bruto scope 1 getal, maar dekt wel de directe impact van ons gasverbruik.
|
CO₂ credits |
2025 |
2024 |
|
Totaal (in ton CO₂e) |
9.089 |
16.871 |
|
Verwijderingsprojecten |
||
|
Reductieprojecten |
Project A |
Project A |
|
66% (5.960 Credits) |
100% (16.871 credits) |
|
|
Circular plastics project Nederland, plastic reststromen uit onder meer de bouwsector worden verwerkt tot grondstoffen voor nieuwe plastic producten. |
Het doel van het project is om gebruik te maken van de beschikbare hernieuwbare energiebronnen in de vorm van biomassaresiduen die worden ontvangen als gevolg van de voorbehandeling van hout voor de productie van gebleekte kraftpulp in een pulpfabriek. |
|
|
Project B |
||
|
34% (3.129 Credits) |
||
|
Biomassa project Europa. Het doel van het project is om gebruik te maken van de beschikbare hernieuwbare energiebronnen in de vorm van biomassaresiduen die worden ontvangen als gevolg van de voorbehandeling van hout voor de productie van gebleekte kraftpulp in een pulpfabriek. |
||
|
Geverifieerd |
100% |
100% |
|
Aandeel projecten in EU |
100% |
100% |
|
Corresponding adjustments |
100% |
100% |
|
CO₂e credits gepland |
Hoeveelheid (ton CO₂e) |
Bestemd voor |
|
Totaal |
1.939 |
2026 |
Net zero restemissies
Bij Heijmans zetten we alles op alles om onze klimaatdoelen te realiseren zonder gebruik te maken van compensatie. Toch erkennen we dat er in 2040 restemissies kunnen overblijven die we niet volledig kunnen neutraliseren, bijvoorbeeld door woon-werkverkeer. Voor die onvermijdelijke emissies hebben we het voornemen om broeikasgasverwijderingen en compensatiecertificaten in te zetten. Dit besluit is gebaseerd op de huidige inzichten: niet alle emissies in alle categorieën kunnen gegarandeerd naar nul worden gebracht. Transparantie is daarbij essentieel.
Toen we onze doelen indienden bij het SBTi, hebben we ingeschat dat het om circa 10% van de emissies uit ons basisjaar 2019 gaat. Dat komt neer op ongeveer 116.000 ton CO₂e.
Met deze aanpak blijven we trouw aan onze ambitie: zoveel mogelijk reduceren binnen onze eigen keten en alleen compenseren waar het écht niet anders kan. Zo bouwen we stap voor stap aan een klimaatneutrale toekomst, met realistische keuzes en maximale impact.
Interne koolstofbeprijzing
Bij Heijmans is een systeem ingericht voor interne CO₂e-beprijzing. Het doel daarvan is het creëren van bewustwording over CO₂e-impact, het geven van een extra stimulans voor duurzame innovaties en het evenredig over de bedrijfsstromen verdelen van de kosten die gepaard gaan met het neutraliseren van onze scope 1- en 2-footprint. Deze beprijzing levert hiermee een bijdrage aan de motivatie voor verantwoordelijken in de bedrijfsstromen om klimaatbeleid en targets te implementeren. In dit koolstofbeprijzingsysteem wordt geen rekening gehouden met geplande maatregelen om deze uitstoot terug te dringen. Scope 3-emissies, Whoon en Van Gisbergen worden (nog) niet meegenomen in dit systeem.
De prijs van een ton CO₂e is in 2020 eenmalig bepaald op basis van een onderzoek naar de prijs van carbon credits. Er zijn prijzen vergeleken van verschillende aanbieders en verschillende typen projecten die aan onze eisen voldoen, waarna we hier een gemiddelde van hebben genomen. Sindsdien wordt deze prijs jaarlijks herijkt, waarbij de trend in prijsontwikkeling van carbon credits wordt gevolgd en er een correctie wordt toegepast op basis van inflatie.
|
Koolstofbeprijzing |
Volume (ton CO₂e) |
% verdeling scope 1&2 |
Prijs |
Perimeter |
|
|
Intern CO₂e fonds |
2024 |
23.616 |
95% s1, 5% s2* |
€ 11,65 p/ton |
Heijmans totaal, scope 1 & 2 |
|
2025 |
19.458 |
99% s1, 1% s2* |
€ 15,00 p/ton |
Heijmans totaal, scope 1 & 2 |
|
- *De scope 2 CO₂e-footprint bestaat enkel uit warmte, omdat al onze elektriciteit uit hernieuwbare bronnen afkomstig is.
Rapportagevereisten
|
Rapportagevereisten |
KPI-definitie |
Methodologie |
Aannames |
Beperking |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
E1-5 |
37 (a) |
Totale energieconsumptie vanuit fossiele bronnen. |
De totale energieconsumptie uit fossiele brandstoffen wordt berekend als de som van de verschillende fossiele energiebronnen. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Geen specifieke beperkingen geïdentificeerd op dit datapunt, additionele toelichtingen worden benoemd bij DR 38 a t/m e. |
|
De informatie is afkomstig van de energieleveranciers. |
|||||
|
37 (b) |
Totale energieconsumptie vanuit kernenergie. |
Er is in 2025 geen nucleaire energie verbruikt. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
37 (c) i. |
Totale energieconsumptie vanuit hernieuwbare brandstoffen (brandstof). |
Onderliggende data voor HVO100 wordt opgehaald bij de respectievelijke leveranciers. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Omrekenen van liters naar MWh wordt gedaan op basis van de energieintensiteit per brandstofeenhheid (Klimaatakkoord.nl), waarbij de eenheid wordt omgezet naar Joule en opvolgend de relevante eenheid. |
|||||
|
37 (c) ii. |
Totale energieconsumptie vanuit hernieuwbare brandstoffen (ingekocht). |
Data wordt onttrokken van de afrekeningen van de energieleverancier, welke vervolgens worden omgerekend naar MWh. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Een klein gedeelte van de cijfers kunnen niet worden opgehaald o.b.v. factuurdata en worden specifiek geschat m.b.v. data van energieleverancier Engie. |
|||||
|
Voor het specifieke energieverbruik voor Whoon kantoren (enkelvoud) wordt er gebruik gemaakt van geschatte cijfers o.b.v. het aantal verdiepingen wat wordt gehuurd in zijn panden. |
|||||
|
37 (c) iii. |
Totale energieconsumptie vanuit hernieuwbare brandstoffen (non-fuel). |
Energieconsumptie uit zonnepanelen. |
Kantoorlocaties die niet uitgelezen kunnen worden, worden uitgesloten van rapportage, nadat de inschatting is gemaakt dat dit geen materiële verschillen oplevert voor onze energie rapportages. |
Op enkele kantoorlocaties is de opwekking en het vebruik nog niet goed uit te lezen. |
|
|
38 (a) |
Fossiel Brandstofverbruik uit kolen en kolenproducten. |
Verbruik van steenkool is een activiteit die niet voorkomt bij Heijmans. Derhalve is dit cijfer nul. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
38 (b) |
Fossiel Brandstofverbruik uit ruwe olie en petroleumproducten. |
Factuurdata van leveranciers (bijv. Leaseplan en Oliecentrale Nederland) wordt gebruikt om te berekenen hoeveel brandstof er uit fossiel wordt verbruikt. Dit wordt ontvangen in liters en omgerekend naar MWh. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Omrekenen van liters naar MWh wordt gedaan op basis van de energieintensiteit per brandstofeenheid (Klimaatakkoord.nl) waarbij de eenheid wordt omgezet naar Joule en opvolgend de relevante eenheid. |
|||||
|
38 (c) |
Fossiel Brandstofverbruik uit aardgas. |
Data wordt onttrokken van de afrekeningen van de energieleverancier welke vervolgens worden omgerekend naar MWh. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
38 (d) |
Fossiel Brandstofverbruik uit andere niet-hernieuwbare bronnen. |
Factuurdata van leveranciers (bijv. Leaseplan en Oliecentrale Nederland) wordt gebruikt om te berekenen hoeveel brandstof er uit fossiel wordt verbruikt. Dit wordt ontvangen in liters en omgerekend naar MWh. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Omrekenen van liters naar MWh wordt gedaan op basis van de energieintensiteit per brandstofeenhheid (Klimaatakkoord.nl) waarbij de eenheid wordt omgezet naar Joule en opvolgend de relevante eenheid. |
|||||
|
Rapportagevereisten |
KPI-definitie |
Methodologie |
Aannames |
Beperking |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
38 (e) |
Fossiel Brandstofverbruik uit ingekochte of verworven elektriciteit. |
Verbruik van fossiele bronnen voor ingekochte of verworven elektriciteit wordt gecompenseerd met Garanties van Oorsprong, derhalve is dit getal 0. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
39 |
Productie van (niet-)hernieuwbare energie. |
Productie van fossiele energie komt niet voor bij Heijmans. Derhalve is dit cijfer nul. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
40 |
Energie-intensiteit van activiteiten in activiteiten met grote klimaatimpact. |
Energie intensiteit. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Energieverbruik op basis van DR 38. De omzet komt uit de jaarrekening 2025. |
|||||
|
E1-6 |
48 (a) |
Bruto scope 1-emissies. |
Heijmans meet scope 1-emissies op basis van de daadwerkelijk gekochte hoeveelheden brandstoffen, waardoor we broeikasgasemissies van stationaire verbranding, mobiele verbranding, procesemissies en vluchtige emissies meenemen in onze rapportage. Deze inventarisatie hebben we uitgevoerd volgens de standaard van het GHG-P, aangevuld met de vereisten vanuit het SBTi. |
In scope 1 wordt vanaf 2025 de tank-to-wheel (TTW) emissiefactor gebruikt en in scope 3 de well-to-tank (WTT). Om helder en transparant over de gevolgen van deze aanpassing te communiceren, laten we dit jaar ook zien hoe het totaal van scope 1 eruitziet in de oude (WTW) rekenmethode. Dit doen we met een voetnoot gekoppeld aan het betreffende getal. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
Enkele verbruiklocaties kunnen wegens beperking in de rekenmethodiek niet meegenomen worden in de rapportages, na onderzoek hebben we ondervonden dat het niet om een materiele afwijking gaat, maar dat we dit in het volgende jaar wel nader moeten onderzoeken. |
|||||
|
Het additief Ad Blue heeft in 2025 nog geen WTW en WTT emissiefactor, maar wel een TTW emissiefactor. In onze berekeningen is in de WTW cijfers wel de TTW impact opgenomen. |
|||||
|
Data wordt opgehaald bij energieleveranciers, Leaseplan en Oliecentrale Nederland vermenigvuldigd met CO₂-emissiefactor van https://www.co2emissiefactoren.nl/lijst-emissiefactoren/. |
|||||
|
48 (b) |
Percentage scope 1 emissies als onderdeel van ETS. |
Niet van toepassing, Heijmans valt niet onder een ETS systeem. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
49 (a) |
Bruto locatiegebaseerde scope 2-emissies. |
Bruto locatiegebaseerde scope 2-emissies komen bij Heijmans voor in de emissies rondom ingekochte elektriciteit, kerosineverbruik bij het vliegen en brandstofverbruik van privé auto's. |
Voor Van Gisbergen en Whoon data is voor 2019 een volledige schatting gemaakt op basis van de cijfers over 2024 en 2025. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Data wordt opgehaald bij energieleveranciers, Leaseplan en Oliecentrale Nederland vermenigvuldigd met CO₂-emissiefactor van https://www.co2emissiefactoren.nl/lijst-emissiefactoren/. |
Het voornaamste gedeelte van ons elektriciteitsverbruik komt van een hoofdleverancier. Voor deze leverancier hanteren we een geschoven boekjaar van December 24 - November 25, vanwege beschikbaarheid van data. |
||||
|
Een klein deel van ons elektriciteitsverbruik wordt niet aangeleverd door onze hoofdleverancier van elektriciteit. Dat gedeelte schatten we in door facturen te controleren van mogelijke elektriciteitsleveranciers. Vervolgens delen we het bedrag dat aan elektriciteit is ingekocht door een gemiddelde prijs per kWh. |
|||||
|
49 (b) |
Bruto markgebaseerde scope 2-emissies. |
Zie berekening voor DR 49(a). Specifiek wordt er gebruik gemaakt van een aparte conversiefactor (marktgebaseerd vs. locatiegebaseerd). |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Rapportagevereisten |
KPI-definitie |
Methodologie |
Aannames |
Beperking |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
50 (a) |
Uiteensplitsing scope 1- en 2-emissies naar consolidatiekring en onderliggende dochterondernemingen. |
Zie de methodologie voor scope 1- en 2-emissies. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
50 (b) |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
||||
|
51 |
Uiteensplitsing scope 3-emissies naar categorieën. |
Totale scope 3 emissies = 1. Ingekochte goederen en diensten + 2. Kapitaalgoederen + 3. Brandstof en energie + 4. Transport (up) + 5. Afval + 6. Zakelijk vervoer + 7. Woon- en werkverkeer + 11. Gebruik verkochte producten + 12. End-of-life verkochte producten. |
Uitsluiting van categorieën: |
Categorie 3.11 Vastgoed: |
|
|
In categorie 3.11 bij Utiliteit speelt dit jaar een unieke situatie bij een enkel project waardoor deze wel binnen de gestelde grenzen zou vallen, maar toch niet meegenomen wordt in de rapportage. Het betreft Project A-pier Schiphol, waar Heijmans door Schiphol is gevraagd om werkzaamheden uit te voeren aan de reeds in aanbouw zijnde A-pier. De werkzaamheden die we hebben uitgevoerd hebben zich beperkt tot die werkzaamheden die noodzakelijk waren om het gebouw weer- en winddicht te maken en te conditioneren. We traden hierbij op als aannemer van een beperkt aantal werkpakketten en hebben vanuit onze rol geen invloed gehad op de algehele energieprestatie van het gebouw. Wij dragen daarom geen verantwoordelijkheid voor het energiegebruik van de A-pier. |
|||||
|
Een ander project van Utiliteit in rapportagejaar 2024 kwalificeert als nieuwbouw, waarbij Heijmans uitsluitend als nevenaannemer verantwoordelijk was voor de installatietechnische werkzaamheden. |
|||||
|
Spendanalyse. |
|||||
|
Rapportagevereisten |
KPI-definitie |
Methodologie |
Aannames |
Beperking |
|
|---|---|---|---|---|---|
|
Per categorie van scope 3 verdeeld op welke basis datapunt berekend wordt: spend of SSC-methode. Spend is een uitgavenanalyse en SSC-methode is via het opvragen van declaraties en registratie van gemaakte kilometers. |
Whoon en Van Gisbergen categorie 2, 3, 4, 5, 6, 7, 12. |
||||
|
53 |
Broeikasgas-intensiteit. |
Broeikasgasemissie-intensiteit (totale broeikasgasemissies per netto-opbrengst) : [totale broeikasgasemissies]/[netto-opbrengst in miljoen euro]. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Totale broeikasgasemissies: [Scope 1-emissies] + [scope 2-emissies] + [scope 3-emissies]. |
|||||
|
54 |
Broeikasgas-intensiteit. |
Broeikasgasemissie-intensiteit (totale broeikasgasemissies per netto-opbrengst) : [totale broeikasgasemissies]/[netto-opbrengst in miljoen euro]. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
Totale broeikasgasemissies: [Scope 1-emissies] + [scope 2-emissies] + [scope 3-emissies]. |
|||||
|
55 |
De aansluiting van de betrokken posten of toelichtingen in de jaarrekening op het bedrag van de netto-opbrengsten. |
N.v.t. |
N.v.t. |
N.v.t. |
|
|
E1-7 |
58 (a) |
Totale hoeveelheid opgeslagen en verwijderde broeikasgassen. |
Binnen projecten worden broeikasgasverwijderingen gedaan. De verwijdering wordt berekend aan de hand van de Centrum Hout-rekenmodule CO₂-opslag in hout op basis van de rekenmethode uit de norm EN 16449 ‘Wood and wood based products - Calculation of sequestration of atmospheric carbon dioxide’. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
59 (a) |
Het totale aantal carbon credits buiten de waardeketen van de onderneming welke getoetst zijn aan erkende kwaliteitsstandaarden (in ton CO₂e) . |
Totaal aantal carbon credits: [totaal aantal ingekochte credits inclusief nog niet vernietigde credits]. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
59 (b) |
Het totale aantal carbon credits buiten de waardeketen van de onderneming welke in de toekomst gepland staan. |
Totaal aantal carbon credits: [totaal aantal ingekochte credits inclusief nog niet vernietigde credits]. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Er zijn geen beperkingen bij het berekenen van dit datapunt. |
|
|
E1-8 |
63 (c) |
Prijs voor een ton CO₂e in euro's. |
De prijs is gebaseerd op marktinformatie van aanbieders en verschillende typen projecten. De verdeling is 100% op scope 1 en 0% op scope 2, aangezien de scope 2 footprint 0 is n.a.v. enkel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Bij deze inschatting wordt geen rekening gehouden met geplande maatregelen om deze uitstoot terug te dringen. Scope 3-emissies worden niet meegenomen in dit systeem. |
|
63 (d) |
Benaderende brutovolumes scope 1- , 2- en 3-emissies gerelateerd aan interne koolstofbeprijzing uitgedrukt in ton CO₂e. |
Bruto volumes emissies gerelateerd aan interne koolstofbeprijzing: [geschatte scope 1-emissies] + [geschatte scope 2-emissies voor 2025]. |
Er worden geen aannames gedaan voor het berekenen van dit datapunt. |
Bij deze inschatting wordt geen rekening gehouden met geplande maatregelen om deze uitstoot terug te dringen. Scope 3-emissies worden niet meegenomen in dit systeem. |
|
|
Emissies op basis van toelichtingen zoals verstrekt in voorgaande rijen. |
|||||